Bebeth

In de praktijk van hulpverlening aan ouders en kinderen zijn we in de loop der jaren gaan onderkennen dat veel opvoedingsproblemen eigenlijk ouder-kind relatieproblemen zijn. Ouders en kind kunnen elkaar emotioneel niet meer bereiken en onvoldoende begrijpen.
Dat ouders en kind elkaar te weinig of niet meer kunnen bereiken komt vaak voort uit een niet – of onvoldoende tot stand gekomen – veilige gehechtheidsrelatie. Hechtingsproblemen hebben te maken met een breuk in de relatie tussen moeder en/of vader en kind, meestal ontstaan in het eerste jaar na de geboorte.

_________________________________________________

Skynner en Cleese verwoorden dat als volgt:

De eerste band

‘Geboren worden betekent een duidelijke verandering in levensstijl. Die veran­dering is goedbeschouwd verpletterend.

Tot op het moment van de geboorte worden er veel dingen voor de baby door de moeder gedaan. Ademhalen bijvoorbeeld en voedsel verteren.

Nu moet hij dat ineens allemaal zelf doen. En in het lichaam van de moeder was hij helemaal veilig, beschermd, warm, donker, rustig en nu is hij plotseling kwets­baar, onbeschermd. Ieder element in zijn omgeving is nieuw en vreemd. En alles wat nieuw en vreemd is, is eng.

Bovendien is de snelheid waarmee hij groeit geweldig in verhouding tot zijn lengte. Als je een stresstabel zou opmaken voor ‘live events’ dan zou geboren worden op de eerste plaats staan. Misschien is het voor veel kinderen wel  als een trauma te kenschetsen. De na­tuur heeft gezorgd dat dit trauma opgevangen wordt door een beschikbare moe­derfi­guur.

Wat nu als die moederfiguur niet of weinig beschikbaar kon zijn?

Dan wordt de angst niet gesust, groeit het vertrouwen niet en zal de baby probe­ren zoveel mogelijk op zichzelf te gaan vertrouwen, in zichzelf gekeerd raken, ook al lijkt het, als de baby ageert, dat hij juist heel extravert is’.

(Skynner en Cleese, Hoe overleef ik mijn familie, 1983)

_________________________________________________

We kunnen aannemen dat het voor een jong kind belangrijk is om in de eerst fase van zijn leven geborgenheid te ervaren. Vanuit dit gevoel van geborgenheid kan het jonge kind emotioneel groeien, leert het later meer met woorden delen, leert het grenzen kennen door liefdevol grenzen stellende ouders en ervaart het dat zijn ouders zijn behoeften kunnen begrijpen en accepteren maar dat het niet altijd mogelijk, of niet altijd goed, is om aan die behoeften tegemoet te komen, dat er ook grenzen gesteld moeten worden.

Aan het eind van het eerste levensjaar heeft ieder kind een gehecht­heidsrelatie met zijn voornaamste opvoeder(s) op­gebouwd. Niet iedere gehechtheidsrelatie is echter even goed. De kwaliteit ervan hangt voor een belangrijk deel af van de kwaliteit van de interactie zoals die tussen het kind en zijn ‘gehechtheidsfi­guur’ heeft plaatsgevonden en de mate waarin het kind zich daardoor geborgen kan voelen.

Zowel bij het kind als bij de ouders zijn er factoren die het ontwikkelen van een positieve gehechtheidsrelatie kunnen verstoren.
Want, wat nu als het kind signalen geeft die voor ouders niet gemakkelijk te begrijpen of te ontvangen zijn. Een kind dat bijvoorbeeld veel huilt en zich niet laat troosten, een kind dat zich niet gemakkelijk “lichamelijk aansluit” aan de moeder, een kind dat zich al maar verzet tegen ouderlijke aanwijzingen, een kind dat zijn hoofd wegdraait als vader of moeder hem aankijkt?

Als deze signalen zich voordoen, en als er bovendien bij de ouders ook nog weinig ouderlijk zelfvertrouwen is, dan is het gevaar groot dat deze ouders zich door hun kind afgewezen voelen. Dit (irrationele) gevoel afgewezen te wor­den vormt een risicofactor in de relatieontwikkeling tussen ouder en kind.

En wat betekent het voor het kind als de ouders, door allerlei omstandigheden, onvoldoende in staat waren om in de babytijd op de fundamentele behoeften van hun kind in te gaan. Als het kind met lachen of huilen probeerde contact te maken en geen gehoor vond omdat de ouder te zeer in beslag genomen werd door zijn eigen problemen of gedeprimeerd was of om andere redenen niet “fit” genoeg was om voldoende beschikbaar te zijn voor zijn kind?

Zo’n kind zal op den duur het gevoel krijgen dat hij alleen op zichzelf is aangewezen en zich steeds zelfbepalender gaan gedragen. Hij zal niet meer vragen, niet meer vertrouwen op het oordeel van zijn ouders.

Net als spoorrails na een wissel is de verwijdering tussen ouder en kind aanvankelijk klein maar naarmate de jaren vorderen wordt de verwijdering groter doordat de basis van wederzijds vertrouwen ontbreekt en ouders en kind al maar meer teleurgesteld raken over wederzijds onbegrip.

Bebeth heeft zich gespecialiseerd in het helpen van ouders en kinderen om de verstoorde relatie weer te herstellen. In de eerste plaats is daarvoor nodig dat ouders zich bewust worden van de reden van de relationele verwijdering tussen hen en het kind. Dit bewustzijn helpt heel vaak om te ontschuldigen. Er is namelijk meestal niemand schuldig als de relatie tussen ouders en kind verstoord is. Er zijn meestal allerlei begrijpelijke omstandigheden en kindfactoren (karakter, temperament enz.) die tot de problemen hebben geleid.

Als er sprake is van relatieproblemen tussen ouder en kind dan wordt dat meestal duidelijk in een zeer uitgebreid intakegesprek, aangevuld met een ouder-kind observatie of een psychologisch onderzoek. Als er geen contra-indicaties bestaan werken wij met ouders en kind aan het herstel van de (hechtings)relatie door terug te gaan naar de basis, de periode waarin de relatie tussen ouder(s) en kind verstoord raakte.

Reacties zijn gesloten.