In de praktijk van hulpverlening aan ouders en kinderen zijn
we in de loop der jaren gaan onderkennen dat veel
opvoedingsproblemen eigenlijk ouder-kind relatieproblemen
zijn. Ouders en kind kunnen elkaar emotioneel niet meer
bereiken en onvoldoende begrijpen.
Dat ouders en kind elkaar te weinig of niet meer kunnen
bereiken komt vaak voort uit een niet – of onvoldoende tot
stand gekomen – veilige gehechtheidsrelatie.
Hechtingsproblemen hebben te maken met een breuk in de
relatie tussen moeder en/of vader en kind, meestal ontstaan
in het eerste jaar na de geboorte.
Skynner en Cleese verwoorden dat als volgt:
De eerste band
‘Geboren worden betekent een duidelijke verandering in
levensstijl. Die verandering is goedbeschouwd
verpletterend.
Tot op het moment van de geboorte worden er veel dingen
voor de baby door de moeder gedaan. Ademhalen
bijvoorbeeld en voedsel verteren.
Nu moet hij dat ineens allemaal zelf doen. En in het
lichaam van de moeder was hij helemaal veilig,
beschermd, warm, donker, rustig en nu is hij plotseling
kwetsbaar, onbeschermd. Ieder element in zijn omgeving
is nieuw en vreemd. En alles wat nieuw en vreemd is, is
eng.
Bovendien is de snelheid waarmee hij groeit geweldig in
verhouding tot zijn lengte. Als je een stresstabel zou
opmaken voor ‘live events’ dan zou geboren worden op de
eerste plaats staan. Misschien is het voor veel kinderen
wel als een trauma te kenschetsen. De natuur heeft
gezorgd dat dit trauma opgevangen wordt door een
beschikbare moederfiguur.
Wat nu als die moederfiguur niet of weinig beschikbaar
kon zijn?
Dan wordt de angst niet gesust, groeit het vertrouwen
niet en zal de baby proberen zoveel mogelijk op
zichzelf te gaan vertrouwen, in zichzelf gekeerd raken,
ook al lijkt het, als de baby ageert, dat hij juist heel
extravert is’.
(Skynner en Cleese, Hoe overleef ik mijn familie, 1983)
We kunnen aannemen dat het voor een jong kind belangrijk is
om in de eerst fase van zijn leven geborgenheid te ervaren.
Vanuit dit gevoel van geborgenheid kan het jonge kind
emotioneel groeien, leert het later meer met woorden delen,
leert het grenzen kennen door liefdevol grenzen stellende
ouders en ervaart het dat zijn ouders zijn behoeften kunnen
begrijpen en accepteren maar dat het niet altijd mogelijk,
of niet altijd goed, is om aan die behoeften tegemoet te
komen, dat er ook grenzen gesteld moeten worden.
Aan het eind van het eerste levensjaar heeft ieder kind een
gehechtheidsrelatie met zijn voornaamste opvoeder(s)
opgebouwd. Niet iedere gehechtheidsrelatie is echter even
goed. De kwaliteit ervan hangt voor een belangrijk deel af
van de kwaliteit van de interactie zoals die tussen het kind
en zijn ‘gehechtheidsfiguur’ heeft plaatsgevonden en de
mate waarin het kind zich daardoor geborgen kan voelen.
Zowel bij het kind als bij de ouders zijn er factoren die
het ontwikkelen van een positieve gehechtheidsrelatie kunnen
verstoren.
Want, wat nu als het kind signalen geeft die voor ouders
niet gemakkelijk te begrijpen of te ontvangen zijn. Een kind
dat bijvoorbeeld veel huilt en
zich niet laat troosten, een kind dat zich niet
gemakkelijk “lichamelijk aansluit” aan de moeder, een kind
dat zich al maar verzet tegen ouderlijke aanwijzingen, een
kind dat zijn hoofd wegdraait als vader of moeder hem
aankijkt?
Als deze signalen zich voordoen, en als er bovendien bij de
ouders ook nog weinig ouderlijk zelfvertrouwen is, dan is
het gevaar groot dat deze ouders zich door hun kind
afgewezen voelen. Dit (irrationele) gevoel afgewezen te
worden vormt een risicofactor in de relatieontwikkeling
tussen ouder en kind.
En wat betekent het voor het kind als de ouders, door
allerlei omstandigheden, onvoldoende in staat waren om in de
babytijd op de fundamentele behoeften van hun kind in te
gaan. Als het kind met lachen of huilen probeerde contact te
maken en geen gehoor vond omdat de ouder te zeer in beslag
genomen werd door zijn eigen problemen of gedeprimeerd was
of om andere redenen niet “fit” genoeg was om voldoende
beschikbaar te zijn voor zijn kind?
Zo’n kind zal op den duur het gevoel krijgen dat hij alleen
op zichzelf is aangewezen en zich steeds zelfbepalender gaan
gedragen. Hij zal niet meer vragen, niet meer vertrouwen op
het oordeel van zijn ouders.
Net als spoorrails na een wissel is de verwijdering tussen
ouder en kind aanvankelijk klein maar naarmate de jaren
vorderen wordt de verwijdering groter doordat de basis van
wederzijds vertrouwen ontbreekt en ouders en kind al maar
meer teleurgesteld raken over wederzijds onbegrip.

Bebeth heeft zich gespecialiseerd in het helpen van ouders
en kinderen om de verstoorde relatie weer te herstellen. In
de eerste plaats is daarvoor nodig dat ouders zich bewust
worden van de reden van de relationele verwijdering tussen
hen en het kind. Dit bewustzijn helpt heel vaak om te
ontschuldigen. Er is namelijk meestal niemand schuldig als
de relatie tussen ouders en kind verstoord is. Er zijn
meestal allerlei begrijpelijke omstandigheden en
kindfactoren (karakter, temperament enz.) die tot de
problemen hebben geleid.
Als er sprake is van relatieproblemen tussen ouder en kind
dan wordt dat meestal duidelijk in een zeer uitgebreid
intakegesprek, aangevuld met een ouder-kind observatie of
een psychologisch onderzoek. Als er geen contra-indicaties
bestaan werken wij met ouders en kind aan het herstel van de
(hechtings)relatie door terug te gaan naar de basis, de
periode waarin de relatie tussen ouder(s) en kind verstoord
raakte.